
Op een concert in een academie zag ik een bijzonder optreden.
Een leerling met als tweede instrument piano waagde zich aan prelude opus 3 nr. 2 van Rachmaninov. Hij speelde anderhalf jaar piano. Onmogelijke opdracht, veel te moeilijk werk. Maar de sturm und drang om grote muziek te spelen was niet tegen te houden.
De start was imponerend. Brede akkoorden, het grote gebaar. Het middendeel ontaardde in een eigen improvisatie. In de stijl van Rachmaninov. De wroetende akkoorden werden nog donkerder. Hij musiceerde bijna in extase. Op het einde pakte hij de partituur weer op.
Wat een interessante kluif voor een (klassieke) jury:
Kan dit wel? Is dit geen onvoldoende? Of 0/100? De partituur zomaar langs de kant schuiven? Of moeten we juist zijn experiment belonen en waarderen? De keuze om iets bijzonders te doen met het werk? Want artistiek was dit zonder meer interessant.
En moeten we zijn leraar op strafkamp naar Siberië sturen? Of hem juist aanmoedigen om dit soort risico’s te blijven nemen? Om hetgeen zich aandient te versterken?
Zelden een uitvoering op een academie gezien die zoveel relevante vragen en gedachten opriep.








