Hoogwaardig vakmanschap

33416176324_22020d15b2_o.jpg

Muziekboeken insinueren dat je met hun methode in enkele maanden een instrument kan leren spelen. We weten natuurlijk beter: een lange leertijd is noodzakelijk.

Hoogwaardig vakmanschap gaat vooral om kennis die niet in een boek staat. Richard Sennet noemt dit belichaamde kennis. Kennis die voortvloeit uit de intuïtieve samenwerking van lichaam en geest.

Daarom blijft het essentieel dat een meester zijn gezellen met regelmaat ontmoet. En dat ze samen de mogelijkheden en grenzen van instrument, materialen en gereedschappen verkennen.

Deze ontmoeting gaat verder dan de traditie herhalen. Want het stoffige imago van de ambachten hebben we achter ons gelaten. Nieuw vakmanschap zoekt naar uniciteit, maatwerk en innoverende technieken. Het nieuwe ontstaat in een creatief spel tussen een leerling met nieuwe ideeën en zijn leraar. Hoogwaardig vakmanschap.

Op een podium of tentoonstelling is dit proces naar hoogwaardig en nieuw vakmanschap niet altijd zichtbaar. In de ateliers/ klassen op de academie des te meer.

Kunde wordt kunst

craftsmanship

Wat de kunstenaar van de vakman onderscheidt? De vakman maakt doorgaans wat hij heeft geleerd, volgens de beproefde methode en met het te verwachten resultaat.

Een kunstenaar gaat verder waar de vakman stopt. Hij neemt risico’s, kijkt anders en probeert het onmogelijke te bereiken. Het resultaat is daarom dikwijls verrassend, ook voor hem. De kunstenaar weet nooit wat en hoe het kunstwerk zal zijn, tot hij het vindt.

Grote kunstenaars zijn dikwijls even ‘kundig’ als de beste vakmannen. Maar een prachtig afgewerkt sierobject is daarom nog geen kunst. De kunstenaar voegt iets belangrijks toe aan het vakmanschap: verbeelding. Dan wordt kunde kunst.

Boekenplank

Zin om te lezen? Hier mijn boekenplank artistieke competenties. Boeken die mij inspireerden om de artistieke rollen beter te leren kennen.

kunstenaar
vakman
performer
onderzoeker

samenspeler

Vakmanschap telt weer

IMG_2467.jpg

In het tijdschrift filosofie vertelt René Gude over de herwaardering van ambacht in de kunst. Hij stelt dat ambacht toch wel een negatieve bijklank had: kunstenaars die een vak geleerd hebben, maar creativiteit missen. Of iets nostalgisch: mandenmakers en klompenmakers.

Maar kijk, een ambacht leren is weer hip. Gude ziet dat we loskomen van de overwaardering van het hyperautonome kunstenaarsdenken.

Daar tegenover staan de ambachtslieden die werken aan kwaliteitsstandaarden om hun product te verbeteren. Of die, stap voor stap, nieuwe technieken ontwikkelen om beter werk te maken.

En daarbij is repetitie nodig.  De vooraanstaande Duitse denker Peter Sloterdijk noemt dat de eerste hoofdwet van de artesdynamica: oefenen, oefenen en oefenen. Stijl is niet aangeboren, maar moeizaam verworven.

Het project artistieke competenties benoemt via de rollen al deze aspecten: vakmanschap, kunstenaarschap en unieke ik. Het zijn thema’s die op de academie telkens weer in de weegschaal gelegd worden.

En wat bepaalt welke rol het meest doorweegt? De aard van het vak? Zeker. De kwaliteiten van de leraar? Speelt natuurlijk mee. Maar misschien is de eigenheid van de leerling wel de meest cruciale factor: de ene leerling is meer kunstenaar die wil scheppen. En de andere voelt zich een vakman die geniet van een exacte reproductie van een partituur of tekst.

De academie is een plek waar een brede artistieke basis gelegd wordt én er daarna ruimte gemaakt wordt voor accenten die passen bij de leerling.

De ambachtsman

headlineheadlinethecraftsman1322643229.jpg

Het boek de ambachtsman van Richard Sennett is een must voor leraren kunstonderwijs. Sennett beschrijft de schoonheid van het vakwerk, streven naar kwaliteit en de noodzaak aan repetitief werk. Ook in deze tijden. Zeker in deze tijden.

De timmerman, de dirigent zijn stuk voor stuk vakmensen omdat zij goed werk willen leveren omwille van het werk zelf.Volgens een veelgebruikte maatstaf is zo’n tienduizend uur ervaring nodig om een meestermusicus te worden.

Vakmanschap is altijd door kwaliteit gedreven werk.

Het moderne onderwijs vreest repetitief onderricht omdat het slaapverwekkend zou zijn. De verlichte leraar, bang dat hij de kinderen verveelt en bereid om telkens met nieuwe stimulansen te komen, vermijdt misschien routine – maar onthoudt op die manier kinderen de ervaring hun eigen ingebakken oefening te onderzoeken en deze van binnenuit te moduleren.